Zolang de mens bestaat, leeft de drang om betoverd te worden. Reeds in de oertijd vinden we grottekeningen van magische rituelen. Later bij de Grieken en Romeinen vertonen handige artiesten hun kunsten op straat, ze worden Joculators genoemd. Het woord jongleur/goochelaar is geboren. Deze behendige verwonderaars leven in de middeleeuwen ook in onze contreien. Ze reizen van dorp naar dorp en van stad naar stad om er telkens hun kunsten te demonstreren. In Oostende vinden we 20 jaar na de onafhankelijkheid van België de eerste goochelaar terug, hoewel deze zichzelf niet zo aanprijst.

Op haar visitekaartje verkoopt Madame Célina zichzelf als ‘Professeur de Magnétisme’. Zij en haar helderziende zelve zijn dagelijks te bezoeken op het gelijkvloers in de Rue Joseph II nummer 44. Toekomstvoorspellers, mediums en andere charlatans verkopen in die periode maar al te graag eenvoudige goocheltoeren als echte gaven om zo het goedgelovige publiek wat geld af te troggelen. Echte goochelaars zoals we die vandaag de dag kennen staan die periode voornamelijk op de foor. Naast de vele attracties zijn daar ook variété – en goocheltheaters terug te vinden, enkel tijdens de koude wintermaanden treden ze in theaters op.

Net als Philippe Lemeur die in januari 1872 het ‘Theatre d’Ostende’ aandoet. Hij geeft er een benefietvoorstelling ten voordele van een nieuw opvangtehuis en vertoont er naar alle waarschijnlijkheid zijn gekende stunt waarbij hij over het plafond wandelt. Niet verwonderlijk voelt hij zich in deze badstad als een vis in het water. Enige jaren voordien was zijn zoon er immers geboren, die later zijn foortheater zal overnemen. Een jaar na zijn benefiet krijgt Philippe van de stad een medaille omwille van zijn inzet voor de armen en bejaarden. Het zet hem ertoe aan om in 1896 nog eens 274,16 Fr aan hen te schenken.

Net als Madame Célina verkoopt ook De Belgische goochelaar Pickman zijn kunnen als magnetiseur. Hetgeen we vandaag de dag mentalisme noemen. Met de hulp van stromannen in het publiek en goed voorbereidend werk, weet hij simpele goocheltoeren in ware mirakels om te toveren. Zijn aanpak kent succes. In 1891 weet hij het publiek in het Kursaal op het puntje van hun stoel te krijgen. ‘Eerst hypnotiseerde hij mensen die hij liet zingen en dansen, tot groot jolijt van het publiek…Zijn ogen verborgen onder een dubbele blinddoek volgt hij de door een toeschouwer op de vloer getrokken krijtlijn…. Hij beschrijft nadien alle fasen van een gespeelde moordscene en vindt het gebruikte mes en wat later ook de dader. Evenzo vindt hij de onder een lamp de door de toeschouwer verborgen munt. Kortom, alle experimenten werden uitgevoerd zonder het vertrouwen van het publiek te schaden.  Er is helemaal geen bedrog.  Hij overtuigt iedereen van zijn kunnen! Een uiterst tevreden publiek juichte hem dan ook toe… ‘schrijft de l’Echo D’Ostende.

Het publiek houdt ervan verwonderd te worden en bij de overgang naar de 20ste eeuw,   breekt dan ook internationaal ‘the golden age of magic’ aan. In deze periode zijn vooral Amerika en Londen het mekka van de goochelkunst. Vertrekkend voor hun Europese tournee doen zo verschillende grote namen Oostende aan.

Op de Oostendse foor van oktober 1903 is directeur M. Princelli Schentke dan ook maar wat trots om in zijn ‘Le Grand Theatre National’ een topper van wereldformaat te kunnen aankondigen; ‘M. Houdini, de gekende ontsnapper uit kettingen, absoluut zonder enige concurrentie!’ De recensies liegen er niet om ‘Houdini was werkelijk extraordinaire!’ schrijft Le Carillon. Wanneer de boeienkoning 6 jaar later nogmaals ons land aandoet, is hij ondertussen zo populair geworden dat hij op het koninklijk paleis van koning Leopold II een ebbenhouten, met goud versierde goochelstok krijgt. Dankzij koningin Marie Henriette, die toen reeds 7 jaar overleden was, kende Koning Leopold immers een grote voorliefde voor de goochelkunst.

Jaren voordien, in september 1885, kwam de gekende Duitse goochelaar Carl Herrmann drie weken naar Oostende om daar van zijn vakantie te genieten. Wanneer het nieuws de stad aandoet, wordt hij door het Kursaal en verschillende verenigingen gevraagd om op te treden. Hij weigert, maar moet uiteindelijk het onderspit delven als hij door Koningin Marie Henriette wordt ontboden op het koninklijke Oostendse buitenverblijf. Aanvankelijk probeert hij eraan te ontkomen door te bluffen dat hij geen goochelmateriaal bij heeft. Maar de koningin geeft hem geen keuze “dan brengt u maar enkele kaartentrucs!” Twee uur lang weet hij hare majesteit en het publiek te vermaken, waarna hij rijkelijk met geschenken wordt beloond. De koningin is er weg van en vraagt aan Herrmann haar op te leiden. Maar liefst 6 maanden lang begeeft hij zich dagelijks naar het koninklijk paleis om daar stapje voor stapje de koningin in de magische wereld te laten toetreden.

Elke goochelaar die daarna Oostende aandoet valt ten prooi aan haar kritische oog. Zo reserveert ze op 11 augustus 1887 de twee grote centrale loges voor het 3 uur durende spektakel van de beroemde magnetist Donato. Ook hij beweert over uitzonderlijke gaven te beschikken, maar de meningen van de pers zijn verdeeld. Hetgeen niet kan gezegd worden over De Verli die 11 jaar na Donato de eer heeft om  het koningspaar met zijn toeren verwonderen. Deze maal is het Le Carillon D’Ostende die schrijft: ‘.. eindelijk was dan daar Professor Em. De Verli. Ook wat stilte ineens. De heer en mevrouw de Verli begonnen met de levende aquariums, de charmante ervaringen die ze vóór de Koning en Koningin met groot succes ook uitvoerden… Merkwaardig was: “de moderne tuinbouw”, waar M. de Verli in staat is om onder een hoed alle bloemen te laten ontkiemen, een keuze gemaakt door zeven tot acht verschillende mensen, die hij vervolgens aan de dames in de zaal uitdeelt. ..’

Tussen hun optredens door komen diverse goochelaars in Oostende maar al te graag van de zon en de zee genieten. Zowel in 1920, 1926 en 1929 kunnen we er Benevol in het Scala theater terugvinden. Deze Italiaanse goochelaar kent zo’n succes dat hij met een hele entourage rondreist om een avondvullend spektakel te brengen.

In die tijd is het niet ongewoon dat dezelfde artiesten onder verschillende namen op de affiche voorkomen. Zo staan in de show van Benevol onder andere Robert Colson en zijn vrouw Lucile. Onder de naam Robertson brengen ze eerst illusies, waarna ze in het 2de deel terug op het podium verschijnen als Loa-Tsi- Cheau of ‘de sterrenwichelaars van het oosten’. Les Damenport die ‘grillige manifestaties’ laten verschijnen, hebben zich voor hun act gebaseerd op de gekende Davenport Brothers. Deze 2 broers die er prat op gingen contact met geesten te kunnen maken, stonden in 1865 reeds zelf in Oostende. Benevol zelf is echter de ster van de show . De reacties in de plaatselijke pers liegen er niet om. ‘Benevol geeft ons eene voorstelling welke, men moet gaan zien, omdat hij wetenschappelijke  betoogingen geeft welke belangwekkend zijn en waarvan men eensdaags de oorzaken in volle daglicht zal stellen ten bate overigens van de wetenschap.

Maar hoe meer de film aan populariteit in wint, hoe meer de goochelaar met zijn mirakels naar de achtergrond verdwijnt. De Brusselse Niuqsar mag in 1936 in cinema Rialto nog zijn ‘magische bar’ vertonen waarbij hij elke opnoembare drank uit een karaf water giet. Maar daarna wordt het stil met nu en dan een uitzondering. De Belgische Suzy Wandas die uiteindelijk één van de hoogste internationale onderscheidingen in de goochelwereld binnenhaalt staat in april 1946 een week in Oostende, net als de buikspreker en zakkenroller Monarque die de badstad 2 jaar later aandoet. In het vernieuwde casino Kursaal is het de Indische illusionist Sorcar die in 1956 zijn gehele illusieshow opvoert en zo voor een laatste maal een groot publiek in Oostende weet te betoveren.

© Christ en Kobe Van Herwegen